Waarom politici wel eens het belang van het geheel uit het oog verliezen

In het politieke debat over groeiende ongelijkheid overstijgt men maar zelden de grenzen van zijn eigen gemeenschap.

Eigenbelang

Niet zelden wordt beargumenteerd dat politici de plicht hebben om de belangen van hun kiezers – diegenen die hen verkozen hebben – te dienen. De kiezer – zo wordt er geredeneerd – maakt tijdens de stembusslag een rationele keuze, uit eigenbelang; ‘wat kan welke politicus voor mij doen?’.

In enge termen gaat dit over de keuze voor deze of gene politicus of politica die er voor zal zorgen dat ik straks minder belastingen zal moeten betalen, die de hypothecaire renteaftrek op mijn toekomstige lening zal verwezenlijken of mijn pas aangeschafte zonnepanelen economisch rendabel zal maken. Politici, luidt het dan, zijn verantwoordelijk om de belangen van diegenen die ze vertegenwoordigen te behartigen. Een debat over economische ongelijkheid die de grenzen van de eigen gemeenschap overstijgt zijn dan eigenlijk irrelevant.

De nulprocent

Onze politici moeten immers niet in de Hoorn van Afrika verkozen worden; de belangen van de Somaliër doen er dus eigenlijk niet toe. Meer nog, als de oplossingen voor de groeiende ongelijkheid op wereldvlak betekenen dat wij moeten inleveren, dan is het, die redenering volgend, zelfs de plicht van onze verkozenen om zich hier tegen te verzetten. Inderdaad, zij moeten onze belangen verdedigen.

Er blijvend van uitgaan dat vertegenwoordigers de belangen van de vertegenwoordigden moeten behartigen, kan men zich echter afvragen waarom mijn ‘belang’, als kiezer, ook niet de (economische) belangen van anderen kan inhouden? Waarom zou het mijn belang niet kunnen zijn om iets te doen aan de groeiende ongelijkheid in de wereld? Als ik kijk naar het huidige stembiljet wordt ons die keuze zelf niet aangeboden. De belangen van niet-stemgerechtigden – in dit geval the global poor, maar dit gaat evenzeer op voor de asielzoekers op eigen bodem – doen er niet toe.

Zij – ‘de nulprocent’ – behoren niet tot het kiespubliek. Een belangrijk gegeven is echter dat die Somaliër aan de andere kant van de wereld, wel beïnvloedt wordt door die stem die ik en u uitbrengen (en dat geldt evenzeer voor de azielzoeker).

De Duitse fiilosoof Thomas Pogge is een wereldautoriteit op vlak van wereldarmoede en heeft de breed gedragen morele positie beargumenteerd dat, ongeacht onze eventuele morele plicht om de armen in de wereld te helpen, het zeker onze morele plicht is om geen wereldarmoede te veroorzaken. En dat doen we. Door vertegenwoordigers aan te duiden die onder meer privileges toekennen aan autoritaire leiders om de natuurlijke eigendommen op hun grondgebied rechtmatig te verkopen en leningen naar hartenlust afsluiten – allemaal ten koste van de economische situatie van hun onderdrukte bevolking.

Morele plicht

Het betreurenswaardige is dat wij als kiezer geen andere keuze hebben. De morele plicht die onze politici hebben om iets te doen aan de groeiende ongelijkheid in de wereld – of op zijn minst niet langer wereldarmoede te veroorzaken – is volledig compatibel met het rationele argument van het enge contract tussen vertegenwoordiger en vertegenwoordigde. Zodra politici beseffen dat ons ‘eigenbelang’ ook de werkelijke zorg van de ander kan omvatten, verandert het gezicht van de democratie. Aan hen dit alternatief aan te bieden, aan ons om hen hierop attent te maken.