De crisis te boven komen

De agressieve besparingsplannen van de EU dreigen uit te lopen op een ramp van formaat. De EU schuift de ervaringen uit het verleden onder tafel en lijkt zo aardig op weg om dezelfde fouten te herhalen. De meest kwetsbare Europeanen dreigen daardoor in een lange en harde winter te belanden, die een generatie lang kan aanslepen.

De Europese Unie ondergaat een zware crisis. Tot 2010 was er binnen de EU een consensus over de aanpak van die crisis: inzet op banenbehoud, sociale zekerheid en het stimuleren van de consumptie. Sindsdien hebben EU-leiders het roer omgegooid en de kaart van de bezuinigingen getrokken. De precaire economische groei van 2010 heeft plaats gemaakt voor een gevoelige krimp. Oxfam voorspelt dat er tegen 2025 tussen de 15 en 25 miljoen armen kunnen bijkomen, als het strenge bezuinigingsbeleid niet wordt omgebogen. Eén op de vier Europeanen zou dan arm zijn. De besparingsmaatregelen treffen de meest kwetsbare groepen altijd het hardst.

Eigen IMF onderzoek toont aan dat de besparingslogica niet werkt. De blinde focus op het terugschroeven van de tekorten heeft een veel negatiever effect op de economische groei, dan aangenomen werd. De schuldgraad schiet omhoog, in plaats van af te nemen. Niemand betwist dat budgettaire consolidatie voorzichtig management is, maar er ontbreekt zelfs een academische basis voor de positieve sociale en economische effecten van dit besparingsbeleid. Het IMF, de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank zouden er goed aan doen hun beleid om te gooien. Hun aanpak eist een bijzonder hoge menselijke tol.

Maar de één z’n dood is de ander z’n brood; arm wordt armer, rijk wordt rijker. De kloof tussen beiden groeit het sterkst in die landen die de meest agressieve budgetbesparingen toepassen: het Verenigd Koninkrijk, Griekenland, Portugal, Spanje, Italië en Ierland. Het sociaal overleg wordt er uitgehold, fundamentele arbeidsnormen naast zich neergelegd. Als het zo doorgaat, evenaren Spanje en het Verenigd Koninkrijk tegen 2025 pakweg Zuid-Soedan op de ongelijkheidsladder. De begunstigden van de besparingen – naast de banken die voor 4.500 miljard publieke fondsen toebedeeld kregen – zijn de 10% rijksten van de Europese bevolking, die hun inkomen zagen groeien.

Alternatieven

De logica van besparingen bekoort – ons land heeft schulden, toch? Stoppen dus, met lenen en uitgeven. Dat is toch het beste voor ons allemaal, niet? Maar: landen zijn wederzijds afhankelijk. Ze handelen met elkaar, dus als ze stoppen met uitgeven – en allen op hetzelfde moment – dan krimpen hun inkomsten. De schuld stijgt dan, in plaats van te dalen. Voor echte groei moet je uitgeven. Die uitspraak komt trouwens van Bill Gross, de manager van ’s werelds grootste obligatiefonds, één van de vele experten die nu openlijk het bezuinigingsbeleid in vraag stelt en die we bezwaarlijk een linkse economische denker kunnen noemen.

Er zijn duidelijke alternatieven voorhanden. Sociale dialoog tussen vakbonden en werkgevers, intelligente investeringen in mensen en waardig werk en een verdieping van de sociale bescherming, zijn absoluut nodig. Ook investeringen in openbare diensten zoals onderwijs en universele gezondheidszorg en progressieve belastingsstelsels, het bestrijden van belastingsontwijking en -ontduiking, de invoering van de financiële transactietaks.